in de site in de collectie
U bevindt zich hier:   home » organisatie » discussie belang NPM

Discussie: het NPM na het ZOEK!-project

Bij de afsluiting van het ZOEK!-project in 2006 vroeg directeur Taco Pauka aan Jeanne Hogenboom om een discussie te organiseren met wetenschappers, mensen uit het politieveld en museum-deskundigen. Hieronder leest u daarvan de weerslag.

Wij waken over uw zaken… Hoezo?!

De afgelopen vier jaar heeft het Nederlands Politiemuseum (NPM) hard gewerkt aan het inhalen van een achterstand op het gebied van de selectie, registratie, conservering en restauratie van de historische collectie van het museum. En vanaf nu kan iedereen via internet hier kennis mee maken. De indrukwekkende collectie bevat uw zaken, waarover wij waken. Maar waarom doen we dat en vooral: waarom zouden we dat blijven doen?

Van de Oostenrijkse rechtsgeleerde Hans Gross (1847-1915), grondlegger van de criminalistiek, verscheen in 1903 in het Nederlands ’’De nasporing van het strafbaar feit’’. Hierin formuleerde Gross de zeven gouden W’s van het opsporingsonderzoek door rechercheurs: wie, wat, waar, wanneer, waarmee, waarom en op welke wijze. De conservator van het NPM stelt: ’’Wat voor de politie geldt, geldt ook voor het museum. Museummedewerkers zijn rechercheurs naar het verleden. Zij zoeken de zeven gouden W’s van het thema van hun museum. Ik zoek de zeven gouden W’s van de politie in Nederland, en dat karwei is nooit af!’’

Laten wij nu eens op een ander niveau rechercheren en bekijken of de zeven gouden W’s ook voor het museum zelf te beantwoorden zijn. We onderzoeken geen misdrijf en zoeken geen dader, maar we willen wel zelfonderzoek doen naar het nut van het NPM. Het museum heeft een panel van deskundigen bereid gevonden op de onderzoeksvragen te reageren, in een virtuele discussie over het bestaansrecht en de toekomst van het museum. Wij stellen u voor:

Voor de musea
- de museumdirecteur, T.R. (Taco) Pauka, directeur Nederlands Politiemuseum
- de conservator, drs. J.M. (Jos) Breukers, conservator Nederlands Politiemuseum
- de collectiecoördinator, J. (Jan) Hofs, coördinator Historische Collectie Politie Rotterdam-Rijnmond
- de medewerker Marechausseemuseum, J. (Jan) Mintjes, kenner Marechausseegeschiedenis
- de collectiebeheerder, C.B. (Carel) Nijland, medewerker collectiebeheer Nederlands Politiemuseum, was o.a. werkzaam bij de Waterpolitie
- de museoloog, dr. P. (Peter) van Mensch, lector Cultureel Erfgoed, Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, docent Theoretische Museologie, Reinwardt Academie

Voor de politie
- de directeur Politieacademie, mw. J.G. (Ineke) Stam, Hoofdcommissaris, lid van de Raad van Hoofdcommissarissen, voorzitter College van Bestuur van de Politieacademie
- de oud-hoofdcommissaris, Mr. J. (Jan) Wiarda, oud-korpschef Gemeentepolitie Utrecht en Politie Haaglanden
- de veldmedewerker, Ch.F.H. (Charles) Derksen, Brigadier Politie Gelderland-Zuid en veldmedewerker voor het Politiemuseum sinds 80’er jaren
- de politieman, J. (Jan) van Mourick, Hoofd Stafbureau Communicatie Politie Zeeland, leverde objecten aan het museum
- de publicist, A.N. (Ton) Stuifbergen, politievoorlichter Politie Hollands Midden, coauteur van ’’’De Leidse agent, een monument’’, 2001

Voor de wetenschap
- de hoogleraar, Prof.dr. C.J.C.F. (Cyrille) Fijnaut, Hoogleraar Criminologie Universiteit van Tilburg
- de universitair docent, dr. J. Timmer, Universitair Docent Criminologie Vrije Universiteit Amsterdam, Senior onderzoeker Centrum voor Politie- en Veiligheidswetenschappen
- de historicus, dr. J.P. (Jos) Smeets, onderzoeker (Marechausseegeschiedenis) verbonden aan de Politieacademie

’Gespreksleider’ is drs. J. (Jeanne) Hogenboom, kunsthistorica, oud-adviseur museale informatisering cultureel erfgoed en tot midden 2006 bestuurslid NPM.

Is het NPM nuttig?

We vallen met de deur in huis: is deze collectie nuttig? Het panel antwoordt unaniem positief en legt verschillende accenten. De maatschappelijke noodzaak van een politiemuseum wordt genoemd, zowel in brede zin als meer specifiek door te benoemen voor wie het museum bestaat en wat het bewaart.

De politieman: ’’Ja, het museum is nuttig, want ‘wie zijn geschiedenis verloochent heeft geen recht op de toekomst’, heeft ooit eens een wijs man gezegd.’’

De medewerker Marechausseemuseum: ’’Het heeft niet alleen voor de wetenschap, historici enz. bestaansrecht, maar ook voor de jeugd en oud leden.’’

De publicist: ’’Absoluut, een nationaal politiemuseum met professionele krachten is onontbeerlijk voor het degelijk exposeren van het cultureel erfgoed. De collectie is nuttig om het verleden en heden van de Nederlandse politie te verenigen.’’

De oud-hoofdcommissaris: ’’In de oriëntatie op het verleden is naast studie van het verleden een museum, met een goed doordachte, goed beheerde en goed toegankelijk gemaakte collectie, volstrekt noodzakelijk.’’

De directeur Politieacademie: ’’Ja, deze collectie is zeker nuttig. Kleding, voertuigen, politiemateriaal, archiefstukken en beeldmateriaal zijn dragers van informatie en kunnen worden gebruikt om verschillende verhalen mee te vertellen. Ze hebben alle een onmisbare positie in de informatieverschaffing.’’

De conservator: ’’De collectie bestaat uit de materiële getuigenissen van ruim twee eeuwen politie in Nederland. Deze voorwerpen illustreren niet alleen de ontwikkeling en geschiedenis van de politie in Nederland, maar zijn ook op zichzelf een bron van informatie. Voor wie? Voor iedereen die informatie wil vergaren over de geschiedenis van de politie in Nederland, voor studie, educatie en genoegen. Het museum is tevens een laagdrempelige openbare vermakelijkheid. Ook mensen met kleine kinderen en mensen met een verstandelijke beperking brengen graag tijd door in ons museum.’’

De hoogleraar: ’’Het nut van de collecties staat buiten kijf. En dan gaat het evenzeer om de collectie voorwerpen als om de collecties van boeken, illustraties en niet-uitgegeven bronnen.’’

De historicus: ’’Uiteraard is de collectie van het NPM buitengewoon nuttig en waardevol.’’

De veldmedewerker: ’’Van Dale verstaat onder een museum ’gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde bijeengebracht zijn en uitgestald worden’. Culturele waarde, iets om te koesteren. Waarmee uw eerste vraag genoegzaam is beantwoord.’’

De universitair docent: ’’De politieorganisatie moet haar eigen geschiedenis kennen, zowel van de ontwikkeling van organisatie, taak en wijze van uitvoering, als van de mensen die daar bij horen en bij hebben gehoord. De organisatie moet in die kennis ook willen investeren. Kijk naar het Marechausseemuseum en zie hoe het ook kan, ondanks dat dit museum maar 10% van de Nederlandse politie vertegenwoordigt.’’

De museoloog vat samen: ’’Iedere sector binnen onze samenleving heeft ’recht’ op een eigen museum. Het bestaansrecht van een sectoraal museum is tweeledig. Aan de ene kant draagt het museum bij aan het zelfbeeld van de sector. In die zin is een sectoraal museum ook een identiteitsmuseum: het draagt bij tot een sterker besef van professionele identiteit. Aan de andere kant treedt het museum ook naar buiten, maakt het de bijdrage van de sector zichtbaar aan anderen.’’

De museumdirecteur, tenslotte, stelt fijntjes: ’’De wil om je eigen verleden te koesteren, te bestuderen en uit te dragen getuigt van beschaving. En beschaving is in relatie tot de politie een essentieel begrip.’’

Politiegeschiedenis

Het is duidelijk dat het nut van de collectie van het NPM wordt gekoppeld aan geschiedenis en de aan de rol van de politie in de samenleving. Laten we eens verder kijken - in goed museologische traditie - naar wat de groepen in het panel over die relatie tussen het museum en de driehoek politie, maatschappij en geschiedenis te zeggen hebben. Eerst de politievertegenwoordigers.

De politieman: ’’Het gaat hier om de geschiedenis van een vast onderdeel van elke staat, dus ook in ons land. Het vasthouden (archiveren) en documenteren hiervan is ook voor cultuur en wetenschap van belang.’’

De veldmedewerker: ’’Voorwerpen, de Nederlandse politie aangaande. Voorwaar toch een grootheid van enige importantie, zou ik zo zeggen, die Nederlandse Politie! Een macht die in ons democratische bestel niet weg te denken valt. Een zeer belangrijk onderdeel van onze samenleving, een museum waardig! En een museum, op welk gebied dan ook, is zeer belangrijk voor de mens, immers, wie van zijn herinneringen kan genieten, leeft tweemaal.’’

De directeur Politieacademie: ’’‘De politie’ is een zeer bekend fenomeen, maar de achtergrond van de politie en de reactie van de politieorganisatie op maatschappelijke veranderingen bevinden zich minder aan de oppervlakte, dit zijn abstracte zaken. In een museum zijn deze zaken echter prima uit te leggen, aan kinderen en volwassenen. De manier waarop de politie burgers tegemoet treedt door de jaren heen, vertoont een interessante wisselwerking. Vanuit geschiedenisperspectief geeft de gedraging van de politieorganisatie een reflectie op de maatschappij. Op gebied van veiligheidsstudies, bijvoorbeeld, is er genoeg te zien en te leren van de keuzes die de politie moest maken (zowel in middelen als in attitude) om problemen het hoofd te bieden en om positieve zaken te stimuleren. Dit alles mag aangeven dat het Nederlands Politiemuseum genoeg te bieden heeft voor ontspanning, maar zeker ook voor informatieve doeleinden.
Het politiemateriaal – dat in de alledaagse praktijk wordt gebruikt – zegt iets over de maatschappelijke vooruitgang en de problematiek waarmee men kampt(e); het materiaal is immers vanwege een bepaalde problematiek geïntroduceerd. Een ander voorbeeld: de veranderingen in voertuigen passen in deze lijn, ze zeggen iets over de vooruitstrevendheid (technische ontwikkeling) binnen de politiële organisatie.’’

De oud-hoofdcommissaris: ’’De politie is een van de grootste organisaties van Nederland, als men tenminste accepteert, dat wij één Nederlandse politie hebben. Het is ook de organisatie met een unieke en zeer bijzondere taakstelling, namelijk de hantering van monopolie van het officiële geweld. Deze positie brengt mee, dat het ondenkbaar is, dat de politie niet voortdurend bezig is met de vraag welke eisen er in de toekomst aan de organisatie worden gesteld. Die vraag heeft in het verleden ook steeds gespeeld en werd door de verschillende posities (politiek, bestuur, leiding, vakorganisaties en politiemensen in het werk), nog al eens verschillend beoordeeld. Toekomstverkenningen zijn nogal hachelijk als men het verleden onvoldoende kent. Het leren van fouten lijkt mij niet zo’n goed idee. Mensen leren in het algemeen uitsluitend van hun eigen fouten en niet van die van anderen. Wat vooral kan helpen, is mensen in hun opleidingstijd in aanraking te brengen met inspirerende voorbeelden uit het verleden. Er zijn zeer wel redenen waarom er soms weerstand is gerezen tegen de openlegging van het verleden van het machtsapparaat, maar dat ligt, meen ik, nu toch wel achter ons.’’

De panelleden uit het politieapparaat hechten duidelijk belang aan historisch onderzoek en zijn moedig genoeg om in het verleden van hun eigen vakgebied te duiken. De wetenschappers kunnen dus tevreden zijn?Niet helemaal, zo blijkt. De historici vragen een grotere investering in het beheer van het onderzoeksmateriaal.

De universitair docent: ’’De politietaak is een vitale taak in de samenleving. Vandaar ook de onveranderlijke en onvermijdelijke voortdurende belangstelling voor de politie, van het publiek en van de wetenschap. Die belangstelling moet je respecteren, voeden en gebruiken en daarom moet je je eigen werk en de geschiedenis daarvan archiveren, documenteren, onderzoeken en tonen. Het gebrek aan waardering en belangstelling van de Nederlandse politie voor de eigen geschiedenis en de tastbare documentatie daarvan is schaamteloos.’’

De hoogleraar: ’’Het museum is in de eerste plaats van groot nut voor de Nederlandse samenleving: dat er ergens een collectief geheugen is/wordt opgebouwd van de geschiedenis van een van de belangrijkste staatsinstellingen. In het verlengde hiervan is het van groot nut voor de politie zelf: voor de ontwikkeling van een verantwoord, evenwichtig en accuraat historisch (zelf)beeld dat ook in onderwijs kan worden uitgedragen. En om dat te bereiken is het nodig dat er goede onderzoekers/archivarissen zijn die zo’n collectie uitbouwen, uitdragen, bewerken enzovoorts.’’

En wat vindt de museumsector van de relatie met politie, maatschappij en geschiedenis?

De collectiecoördinator: ’’Het bewaren van de geschiedenis is in alle gevallen nuttig, zeker voor het nageslacht die van de geschiedenis kan leren. Verder is het belangrijk voor onderzoekers, schrijvers en belangstellenden.’’

De collectiebeheerder: ’’Het kennen van de geschiedenis kan voor vele mensen, zowel jeugd als ouderen erg nuttig zijn. Gezien de interesse en reacties van de museumbezoekers heeft dit museum, niet alleen voor (oud)politiemensen maar ook voor een veel grotere groep een bestaansrecht.’’

De museumdirecteur: ’’Met een museumcollectie blijft het verleden letterlijk tastbaar (wel met handschoentjes graag). Het kennen van je eigen geschiedenis versterkt je identiteit. Met een sterke identiteit wordt het voor de politie (en de politiek die haar bestuurt) eenvoudiger om heldere keuzes te maken voor de toekomst. En als er één sector is die zou kunnen leren van z`n eigen verleden (en dat gelukkig soms ook doet) dan is het de politie.’’

De conservator: ’’De politie is als uitvoerend orgaan van de overheid belast met de handhaving van de rechtsorde en is daarmee onlosmakelijk verankerd in het staatsbestel en de samenleving. De politiegeschiedenis is daarom verbonden met de geschiedenis van het staatsbestel en de maatschappijgeschiedenis. Gezagscrises, veranderingen in het staatsbestel en maatschappelijke problemen leidden tot veranderingen in de organisatie van de politie en verschuivingen in het takenpakket van de politie. Een voorbeeld? Begin twintigste eeuw, na arbeidersrevoluties en een wereldoorlog, vreesde ook in Nederland de overheid een politieke omwenteling. Men nam maatregelen om de leef- en arbeidsomstandigheden van de allerarmsten te verbeteren en daarnaast werden in 1919 anti-revolutiewetten aangenomen. De staat verkreeg een geweldsmonopolie. De politiekorpsen in de grotere steden werden met vuurwapens uitgerust en de Vuurwapenwet beperkte ander wapenbezit. Het Korps Politietroepen werd opgericht voor een strenger toezicht op de gewapende, en dus potentieel gevaarlijke, krijgsmacht en om de politie bij te staan bij “de beteugeling van woelingen”. De spoorwegrecherche, ging het internationale treinverkeer en de reisbewegingen van politieke extremisten in de gaten houden. In de collectie van het NPM zie je de materiële getuigenissen van die maatregelen: van uniformen, wapens en uitrusting, tot instructieboekjes en registers met foto’s en signalementen van politieke extremisten en internationale misdadigers.’’

Versnippering?

Het erfgoed van de politie in Nederland is versnipperd. Musea, particuliere verzamelingen, archieven van gemeenten, provincies of rijk, bibliotheken van politie-instituten. Al deze instellingen hebben stukjes van de puzzel. Wat zijn de verschillen? En wat ontbreekt er volgens het panel?

De conservator omschrijft waarin een museum anders is: ’’Een museum is een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde, rond een bepaald thema of onderwerp, bewaard en uitgestald worden. Tot die voorwerpen worden ook wel relevante documenten en boeken gerekend. Andersom beheren archieven of bibliotheken in principe geen voorwerpen. Bovendien: aan het authentieke voorwerp ontleent een museum zijn bestaansrecht.
Wat volgens mij ontbreekt in al deze verzamelingen samen is de sociaal-culturele geschiedenis van de politie, documentatie over de politie als beroepsgroep. Daar liggen nog tal van interessante onderzoeksvragen. Wat bewoog mensen om bij de politie te gaan? Beïnvloedde het politiewerk hun kijk op het staatsbestel en op de maatschappij? Zijn er onveranderlijke eigenschappen, die politiemensen in het verleden en heden delen?’’

De hoogleraar: "Ik mis, geloof ik, wel een goede afdeling voor niet uitgegeven schriftelijke bronnen.’’

De conservator kent de collectie natuurlijk het beste en weet dus ook precies wat er op het verlanglijstje staat: ’’Materiaal van de Nederlandse politie in de overzeese gebiedsdelen en de voormalige kolonies is in onze collectie tamelijk schaars. Ook hebben wij weinig voorwerpen van Duitse en Japanse (militaire) politiekorpsen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland en Nederlands-Indië actief zijn geweest. De stedelijke politiekorpsen zijn in onze collectie goed vertegenwoordigd, terwijl de plattelandspolitie van vóór 1940, de gemeenteveldwacht en rijksveldwacht, ondervertegenwoordigd zijn.’’

De universitair docent: ’’Dat kan ik niet goed beoordelen, daarvoor ken ik de collectie van het NPM onvoldoende. Maar de nieuwe site met verwijzingen en zoekmogelijkheden ziet er wel veelbelovend uit.’’

Wat doet een museum?

De internationale museumvereniging (ICOM) heeft een museumdefinitie opgesteld: Een museum is een permanente instelling in dienst van de gemeenschap en haar ontwikkeling -niet gericht op het maken van winst- die de materiële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, behoudt, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor doeleinden van studie, educatie of genoegen. Hoe ziet het panel de uitvoering van die taken in het NPM?We beginnen met de museummedewerkers.

De conservator onderschrijft de museumdefinitie volledig en voegt toe: ’’Een boeiend aspect van het museumwerk is het inzichtelijk maken van niet direct zichtbare ontwikkelingen en veranderingen in het verleden, uitgaande van de voorwerpen in de collectie.’’

De medewerker Marechausseemuseum bevestigt: ’’Onze taak is het instandhouden, uitbreiden van presentaties en bibliotheek, enzovoorts. We verrichten naspeuringen over gebeurtenissen en geven inlichtingen.’’

De publicist stelt over het verzamelen van objecten: ’’Duidelijk moet zijn waar het museum waarde aan hecht. In de respectievelijke politiekorpsen moeten contactpersonen te vinden zijn die de verantwoordelijkheid en bewaking van zo’n systeem op zich nemen. Ik denk dan voornamelijk aan de mensen binnen de korpsen die belast zijn met archiefwerk.’’

De politieman zorgde voor een aantal belangrijke collectieonderdelen in het museum. In 1999, bijvoorbeeld, heeft hij een brandkast die door de bekende Aage M. was gekraakt, laten opnemen in de collectie. Maar er is meer: ’’Ook het bewaren van beleidsplannen, jaarverslagen, belangrijke gebeurtenissen (evaluaties en foto’s van bijvoorbeeld het kroningsfeest 1980, of de bezetting van kerncentrales in ‘70/’80) binnen de politie horen hier mijns inziens bij.’’

De veldmedewerker: ’’Ik was de eerste veldmedewerker van de Gemeentepolitie voor het (destijds) Rijkspolitie Museum. Mijn motivatie is heel eenvoudig. Ik vind, zoals ik hiervoor al zei, musea heel belangrijk. Het is goed om vooruit te zien maar van ons verleden kunnen we leren. Exposeer dus maar eens een voertuig waaraan een heel korps een bloedhekel had, bijvoorbeeld de Fiat Ritmo, of, zoals wij het noemden de Fiat Shitmo.’’

Dit past helemaal in het beeld van de ‘Nieuwe Museologie’, stelt de museoloog: ’’Het proces van musealisering wordt in gang gehouden door twee krachten. Aan de ene kant is er het museum als professionele instelling dat keuzes maakt. Per definitie creëert het museum daarmee erfgoed: erfgoed van de sector, maar daarmee ook erfgoed van de samenleving als geheel. Aan de andere kant komen ook voorwerpen naar het museum toe vanuit de sector, een vorm van verzamelen ‘van onder af’. Je zou kunnen zeggen dat ‘alerte politiemensen’ in het proces van musealisering essentiële beslissingen nemen op basis van hun perceptie van voorwerpen als hun erfgoed. In de theorie van de museologie komt dit overeen met wat men aanduidt als ‘Nieuwe Museologie’: mensen beslissen zelf wat hun eigen erfgoed is. Dit in tegenstelling tot ‘Oude Museologie’ waarbij specialisten bepalen wat erfgoed is. Volgens de ‘Nieuwe Museologie’ zou het mooi zijn wanneer politiemensen zelf intensief betrokken zijn bij de keuzes welke voorwerpen in het (hun) museum zouden moeten worden opgenomen. Hun verhalen vormen daarbij deel van de documentatie van het voorwerp.’’

De collectiebeheerder sluit hier op aan als hij de collectie bewerkt: ’’Ik ben bezig met het inventariseren van alle foto’s en dia’s waarop politievaartuigen zijn afgebeeld. De ervaring tijdens mijn loopbaan, ook vóórdat ik bij de waterpolitie werkte, komt goed van pas tijdens de werkzaamheden op het museum, omdat ik veel herken. Door te beschikken over een netwerk, zijn er veel ontbrekende gegevens boven water te halen. Iemand zonder deze achtergrond zou meer tijd en moeite kwijt zijn om dit te realiseren.’’

De conservator van het museum verricht wetenschappelijk onderzoek. Dat doen ook onderzoekers van buitenaf. Dergelijke onderzoekingen zouden ideaal gesproken voor een soort ’kruisbestuiving’ moeten zorgen: de objecten voeden het onderzoek en het onderzoek vergroot de betekenis en dus museale waarde van een object. Hoe zien de externe onderzoekers dit?

De hoogleraar: ’’De wetenschappelijke waarde van de collectie is in een aantal opzichten groot/uniek zelfs. Probleem is in dit verband dat de geschiedenis van de politie in de wetenschap een ondergeschoven kindje is. Alle publicaties wetenschappelijk? Dat zou onzinnig zijn, maar er moet wel een reeks zijn waarin het beste van het beste op een degelijke manier wordt te boek gesteld, hetzij door eigen mensen hetzij door onderzoekers/schrijvers van buiten. Het museum moet bijdragen, maar kan dit alleen als het zelf voldoende goede onderzoekers in dienst heeft en de collectie is ontgonnen op een manier die haar geschikt maakt voor wetenschappelijk onderzoek.’’

De historicus: ’’Het museum zorgt dat het erfgoed van de Nederlandse (burger)politie op verantwoordelijke wijze wordt bewaard en aangevuld. Het museum heeft waarde voor de reguliere bezoeker maar is voor mij als wetenschappelijk onderzoeker van onschatbare waarde gebleken.’’

De universitair docent: ’’De wetenschappelijke waarde van de NPM-collecties kan ik niet beoordelen. Ik vraag me wel af of het museum er op eigen houtje het wetenschappelijke niveau van haar publicaties moet verzorgen en beoordelen. Daar zouden onderzoekers van buiten een rol in moeten krijgen.’’

Hoe zien de panelleden het gebruik van de collecties? Vinden onderzoekers van buitenaf wat zij zoeken?Op wie zouden de presentatie- en informatietaken met name gericht moeten zijn?

De hoogleraar antwoordt ontkennend op de vraag of studenten worden doorgestuurd naar het museum. En de universitair docent: ’’Neen, maar het is wel een aantrekkelijk idee, zeker als er een historische component in het onderzoek zou zitten. Houd ik in mijn achterhoofd.’’

De publicist: ’’Dankzij de contacten bij het NPM was het voor mij mogelijk onderwerpen te checken op juistheid. Bovendien was door het voorheen bestaande overleg Nederlandse politiemusea mogelijk ook contactpersonen van die musea te benaderen.’’

De historicus: ’’Ik heb de collectie vooral gebruikt om archieven en politietijdschriften te raadplegen en gebruik te maken van de fotocollectie. Bij historisch politieonderzoek kan men dus niet om het NPM heen. En de professionele hulp die mij als onderzoeker geboden is kan niet genoeg worden benadrukt.’’

De directeur Politieacademie benadrukt de informatie- en presentatietaken: ’’De politie kan via een museum aan een breed publiek tonen wat zij voor de maatschappij betekent heeft in het verleden en hoe de rol van de politieorganisatie zich heeft ontwikkeld tot nu. Een breed publiek, waaronder scholieren, familie van politiefunctionarissen en agenten in opleiding, kan zich door een presentatie beter voorstellen wat politiewerk inhoudt en waarom het belangrijk is. Een museum vertelt een verhaal met voorwerpen, teksten, beeld en geluid. Dit alles mag aangeven dat het Nederlands Politiemuseum genoeg te bieden heeft voor ontspanning, maar zeker ook voor informatieve doeleinden. In het Nederlands Politiemuseum zullen niet gauw zaken overbodig zijn. Juist objecten die nu ‘normaal’ en ‘alledaags’ lijken, kunnen vanuit een bepaald perspectief zeer interessant zijn. Het behoeft eigenlijk geen toelichting dat het museum hierdoor bestaansrecht heeft.’’

De museoloog stelt hierbij wel een eis: ’’Voorwaarde is dat het museum geen plat PR-instrument is. Het museum mag namelijk best kritisch zijn, móet dat zelfs zijn. Het museum mag controversiële thema’s dan ook niet uit de weg gaan.’’
De museumdirecteur vat samen: ’’Ik pleit voor een gezamenlijk, nauwkeurig op elkaar afgestemd en sterk geprofessionaliseerd beleid op het gebied van verzamelen, beheren, conserveren, restaureren, documenteren en ontsluiten van politie-erfgoed. Hierdoor wordt voorkomen dat zaken dubbel bewaard worden.

Relaties

Laten we eens gaan kijken naar die relatie met andere collecties, met de korpsen en het politieonderwijs. Wat vinden de andere panelleden daarvan?

De oud-hoofdcommissaris over het politieonderwijs: ’’De historie, die eigenlijk opnieuw wordt ontdekt, moet wel een integraal deel van de studie zijn, omdat anders een goede oriëntatie op de toekomst haast niet mogelijk is.’’

De directeur Politieacademie: ’’De Politieacademie wil een kennisinstituut zijn dat de nieuwste ontwikkelingen blijft volgen en dat zelfs vooruitziet, door middel van onderzoek. Een gedegen beeld van de geschiedenis van de Nederlandse politie helpt ons ook om de toekomst te formuleren. Het is daarom zeker wenselijk dat de band met de Politieacademie meer aangehaald wordt. Kennis van de cultuur en de achtergrond van de politie geeft de politiefunctionaris grond onder de voeten.’’

De historicus: ’’Ik zou een versterking van de positionering naar wetenschappelijke instellingen en de Nederlandse politieacademie willen zien. Er is daar nog heel veel werk te doen.’’

De museumdirecteur: ’’Voor een goede ontsluiting van al die informatie is verdere samenwerking met politieonderwijsinstellingen van groot belang. In het politieonderwijs neemt gelukkig de belangstelling voor politiegeschiedenis weer gestaag toe. Die tendens is gelukkig ook steeds duidelijker zichtbaar binnen de korpsen.’’

De universitair docent: ’’Het historische gebrek aan gezamenlijkheid binnen de Nederlandse politie wreekt zich in het feit dat kennelijk niemand in de korpsleiding zich verantwoordelijk voelt voor het voortbestaan en de collectie van het NPM. De enige zichtbaar gezamenlijke organisatie van de Nederlandse politie is de Politieacademie. Die zou eigenlijk een budget moeten krijgen/vrijmaken om het NPM duurzaam te ondersteunen.’’

De directeur Politieacademie ziet de relatie met de korpsen ook nog anders: ’’Het NPM en de korpsen zullen elkaar op de hoogte moeten houden van inzichten in het politievak in relatie tot de maatschappij. Beide hebben dus een signalerende functie. Ontwikkelingen op veiligheidsgebied, bijvoorbeeld, leveren ook snelle ontwikkelingen in politiemateriaal en -werkwijze op, en die zaken moeten beslist in het museum vastgelegd worden.’’

Afstemming collecties

En dan de afstemming van collecties. Het panel wordt gevraagd waarom de stukjes van ’de puzzel politiegeschiedenis’ niet in één organisatie bij elkaar gebracht kunnen worden? De meningen lopen uiteen.

De hoogleraar is kort over samenvoegen: ’’Zonder meer!’’

De collectiecoördinator is tegen: ’’ De samenwerking met het nationale politiemuseum is namens mij in beider belang. Het uitwisselen van kennis en ervaring en ook van allerhande materialen, foto´s, films boeken etc. Maar de collectie van ons korps behoort in onze regio, want de bevolking daarvan moet bij de geschiedenis van haar eigen korps kunnen.’’

De historicus zou samengaan van de musea nuttig vinden als dat fusies met instellingen buiten het politievakgebied kan voorkomen, maar: ’’Dat neemt niet weg dat ik een zelfstandig voortbestaan van NPM en Marechausseemuseum zou prefereren, zodat beider identiteit behouden blijft. Samenwerkingsverbanden, waarvoor ik mij altijd heb inspannen, zouden de musea wel ten goede komen, zeker als dat ook relatie met de Nederlandse Politieacademie zou inhouden.’’

De medewerker Marechausseemuseum stelt voor: ’’Het lijkt mij zinvol beide collecties via een website te verbinden. Die zal met veel vakmanschap opgezet en beheerd moeten worden.’’

De museumdirecteur is het daarmee eens, maar gaat verder: ’’ Met het ZOEK!project is een uitstekende basis gelegd voor het verder uitbouwen van een goed collectiebeheerssysteem voor het hele historisch erfgoed van de Nederlandse politie. De tijd is nu aangebroken om daar ook andere collecties, buiten het NPM, bij te betrekken. De komende jaren moet er geld en tijd worden vrijgemaakt voor een samenwerkingsproject. Ik pleit niet voor een fusie, maar wel voor een gezamenlijk, nauwkeurig op elkaar afgestemd en sterk geprofessionaliseerd beleid op het gebied van zowel documenteren en ontsluiten, als verzamelen, beheren en conserveren van politie-erfgoed.’’

De museoloog: ’’Ik geloof niet dat vanuit de ’museologie’ een voorkeur kan worden uitgesproken voor het ene of het andere model. Belangrijk is herkenbaarheid, zowel intern voor de eigen achterban, als extern. Duurzaamheid is echter iets wat berust op zowel draagvlak als economische randvoorwaarden. Wel heb ik het idee van een ‘112 museum’ altijd interessant gevonden. Jammer dat daar geen draagvlak voor (b)lijkt te zijn. Temeer is dat jammer, in mijn ogen, omdat deze context helpt een bepaalde, moderne visie op de rol van de politie vorm te geven.’’

Het lijkt erop dat een tussenvorm de beste papieren heeft: de virtuele samenvoeging. Dat wil zeggen: de informatie over collecties wordt samengebracht, terwijl collecties en locaties in tact blijven. Een typisch Nederlandse, decentrale oplossing zoals ooit in de 70er jaren al gestart door de maritieme collecties, die gelukkig mogelijk is door technische middelen.

De museumdirecteur heeft het laatste woord: ’’Het belangrijkste voordeel is dat alle informatie over politiegeschiedenis straks via een ingang gevonden kan worden, ongeacht waar het is ondergebracht. Tegelijkertijd kan er meer inhoudelijke samenhang in de collecties ontstaan. En dat stimuleert ongetwijfeld de toepassing van deze informatie voor bijvoorbeeld studie, onderwijs en publicaties.’’

Slot

De zeven gouden W’s, wie, wat, waar, wanneer, waarmee, waarom en op welke wijze, lijken grotendeels beantwoord. Wie? De professionele museummedewerkers. Wat: het erfgoed van de Nederlandse politie. Waar? Toch maar decentraal. Wanneer? Doorlopend, tot op heden maar het museum is zo nuttig dat dit moet doorgaan, daar is men het wel over eens. Waarmee? Met de bewerkte collecties, gekoppelde informatiesystemen, tentoonstellingen en onderzoek. Waarom? Uit liefde en noodzaak: het materiële erfgoed van de politie moet om allerlei redenen bewaard blijven. Op welke wijze: in samenwerkingsverbanden met andere collecties of onderwijsinstellingen en in een professionele museale omgeving. Voor nu dankt het NPM de panelleden voor hun bijdrage aan deze eerste, virtuele, discussie.

Het woord is aan de bezoekers van deze website. We nodigen u uit om te reageren.

Jeanne Hogenboom NPM, najaar 2006